Vertegenwoordigers van de Parti National Rifain (PNR) krijgen keer op keer hetzelfde verwijt te horen: “Wie heeft jou het recht gegeven om namens mij te spreken?”
Op het eerste gezicht lijkt dat een legitieme vraag. In een tijd waarin representatie en legitimiteit centraal staan, is het begrijpelijk dat mensen kritisch zijn op wie namens hen spreekt. Maar in de context van de Rif wordt deze vraag steeds vaker gebruikt als instrument om stemmen het zwijgen op te leggen.
Want laten we eerlijk zijn: inzet voor de Rif is geen vrijblijvende keuze. Het is een pad van offers. Mensen investeren niet alleen hun tijd en energie, maar nemen ook persoonlijke risico’s. Zij leven met druk, met onzekerheid, en soms met de harde realiteit dat terugkeer naar hun eigen land niet vanzelfsprekend is. Ook hun families dragen die last.
Dit zijn geen abstracte principes. Dit is de prijs van betrokkenheid.
En juist tegenover die realiteit klinkt dan de vraag: “Wie heeft jou dat recht gegeven?” Alsof het recht om te spreken afhankelijk is van toestemming. Alsof men eerst een universeel mandaat moet verkrijgen voordat men zich mag uitspreken over onrecht.
De PNR is helder: zij spreken namens hun achterban — de mensen die zich bewust achter hun doelen hebben geschaard. PNR claimen niet zonder meer het volledige Rifijnse volk te vertegenwoordigen. Een dergelijk mandaat kan alleen voortkomen uit een vrij en democratisch proces.
Maar dat neemt niets weg van een fundamenteel principe: ieder individu heeft het recht zich uit te spreken, zich te organiseren en op te komen voor de toekomst van zijn volk. Dat recht is verankerd in het internationaal recht, met name in artikel 1 van het VN-Handvest en artikel 1 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR), waarin het recht op zelfbeschikking ondubbelzinnig wordt erkend.[1][2]

Het in twijfel trekken van dat recht onder het mom van “gebrek aan vertegenwoordiging” is niet neutraal. Het is verlammend. Het verschuift de aandacht van de kern — de rechten van het volk — naar een kunstmatige discussie die vooral leidt tot stilstand.
Want als niemand meer mag spreken zonder iedereen te vertegenwoordigen, dan zal uiteindelijk niemand meer spreken. En precies dát is hoe rechten verdwijnen: niet door openlijke onderdrukking alleen, maar door collectief zwijgen.
De geschiedenis van de Rif laat zien dat verandering nooit begint met toestemming. Toen Abdelkrim El Khattabiopstond tegen de koloniale overheersing, deed hij dat niet omdat hem unaniem een mandaat was gegeven. Hij handelde vanuit overtuiging, verantwoordelijkheid en een diep besef van rechtvaardigheid. Zijn strijd was geen gevolg van consensus — maar van noodzaak.
Die geschiedenis draagt een duidelijke les in zich. Rechten worden niet gerealiseerd door te wachten tot iedereen het eens is. Zij worden afgedwongen door mensen die weigeren te zwijgen.
Wij spreken niet omdat wij beweren iedereen te vertegenwoordigen.
Wij spreken omdat zwijgen geen optie is.
Wij organiseren niet omdat het ons gevraagd wordt.
Wij organiseren omdat het nodig is.
De vraag is dus niet: wie heeft ons dat recht gegeven?
De echte vraag is:
wie heeft besloten dat wij zouden moeten zwijgen?
Bezoek de officiële website van de PNR via de onderstaande link.











Leave a Reply